Art. 59 Wet Externe Rechtspositie als reddingsboei voor het reclasseringsplan

mercredi 22 juillet 2020 - 09u48

Strafuitvoering en vooral de weg naar re-integratie in de samenleving is een belangrijke schakel in het detentietraject van de veroordeelde. Deze fase wordt gekenmerkt door opvolging en controle van de veroordeelde.
Sinds 2006 is het onder andere de multidisciplinaire strafuitvoeringsrechtbank die instaat voor deze opvolging en controle van gedetineerden waarvan het straftotaal meer dan drie jaar bedraagt. Concreet heeft de strafuitvoeringsrechtbank de bevoegdheid om strafuitvoeringsmodaliteiten al dan niet toe te kennen.
Daarbij zijn het de zogenaamde contra-indicaties die in rekening worden genomen bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Op heden kan de gedetineerde, die zich in de tijdsvoorwaarden bevindt, om volgende strafuitvoeringsmodaliteiten verzoeken: de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of overlevering.
De uitgaansvergunning en het penitentiair verlof kunnen vooralsnog niet door de strafuitvoeringsrechtbank als autonome strafuitvoeringsmodaliteit worden toegekend. Deze modaliteiten blijven een exclusieve bevoegdheid van de minister van Justitie (lees: de Directie Detentiebeheer).
Bij wijze van uitzondering voorziet art. 59 Wet Externe Rechtspositie voor de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank in de mogelijkheid om een andere uitvoeringsmodaliteit toe te kennen dan diegene die gevraagd is. Dit is enkel mogelijk wanneer het absoluut noodzakelijk is om op korte termijn de verzochte modaliteit toe te kennen.
Op die manier kan de veroordeelde, indien het reclasseringsplan nog niet volledig op punt staat, via uitgaansvergunningen of penitentiaire verloven dit reclasseringsplan op punt zetten, zonder dat zijn oorspronkelijk verzochte strafuitvoeringsmodaliteit daardoor wordt afgewezen.
Een afwijzing van het verzoek zou immers betekenen dat de gedetineerde zes maanden dient te wachten alvorens een nieuw verzoek te mogen indienen, hetgeen nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor belangrijke pijlers van het reclasseringsplan, zoals: woonst, dagbesteding en begeleiding.
In de praktijk zien we dan ook dat er vaak van art. 59 gebruikgemaakt wordt om de gedetineerde toe te laten een aantal administratieve zaken in orde te brengen, zoals: het zich in orde stellen met de mutualiteit of het OCMW.
Het blijft dus de bedoeling dat de oorspronkelijk verzochte strafuitvoeringsmodaliteit binnen een korte termijn kan toegekend worden. Een zeer onvolledig reclasseringsplan geeft bijgevolg geen aanleiding tot toepassing van art. 59.
Advocatenkantoor COTTYN streeft er samen met de cliënt naar om het reclasseringsplan zo volledig mogelijk uit te werken teneinde de inwilliging van het verzoek te verzekeren. Hierbij gebruiken wij onze jarenlange ervaring en expertise op het gebied van strafuitvoering.