De (on)wenselijkheid van de polygraaf in strafzaken

vendredi 5 mars 2021 - 11u06

Advocatenkantoor COTTYN was in de loop der jaren reeds voor diverse studenten een stageplaats. Zo liep dhr. Mohsen SINDIAN, student rechten aan de VUB, vorig jaar mee op ons kantoor. Dhr. SINDIAN maakte een analyse over het gebruik van de polygraaf in het recht. We delen zijn analyse graag met u.

Inleiding

In een strafproces is het niet ongewoon dat de betrokkenen verhoord worden middels een polygraaf, of in de volksmond ‘de leugendetector’. Als gewone burger kan men daar weinig of niets op aanmerken omdat men ervan uitgaat hiermee de enige échte waarheid te kunnen achterhalen. Doch dient men de juridische en psychologische gevolgen daarvan niet te onderschatten. Een kritische analyse in het licht van de grondrechten verankerd in onze Grondwet en in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dringt zich op.

Gedurende een lange tijd werd in de rechtspraak en rechtsleer aangenomen dat een polygraaf ongeoorloofd zou zijn. De ratio daarachter is, dat de inzet van deze methode de psychologische vrijheid van de betrokkenen ontneemt. Zij worden verplicht om mee te werken aan het onderzoek en verklaringen af te leggen.1 Recent ontstond er echter een kentering wat betreft de houding ten opzichte van de leugendetector. In wat volgt zullen we het begrip “polygrafie” duiden in zijn ruime strafrechtelijke betekenis. Vervolgens zullen we meer specifiek ingaan op het standpunt van het Hof van Cassatie en de onderzoeksgerechten. Per slot van rekening zullen we de voor- en nadelen, die inherent verbonden zijn aan de polygraaf, verder toelichten.

De polygraaf: begripsafbakening en het verband met het (straf)recht

De polygraaf is een fenomeen dat al decennia lang bestaat, maar pas recent zijn intrede maakte in het Belgisch recht. In het verleden werd het gebruik hiervan in strafzaken geregeld door een omzendbrief (COL 3/2003), waarvan de inhoud niet bindend was.2 Vandaag de dag heeft de wet van 4 februari 2020 tot wijziging van het wetboek van Strafvordering, een wettelijk kader in het leven geroepen dat het gebruik van de polygraaf in strafzaken regelt. De wet is sedert 1 januari 2021 in werking getreden.

Een algemene definiëring van polygrafie luidt als volgt: “De detectie van leugenachtige reacties via de analyse van psychofysiologische reacties van een individu. Het verkregen resultaat vormt een hulpmiddel voor het onderzoek, maar vervangt dit onderzoek helemaal niet; elk element moet met andere elementen van het onderzoek worden gestaafd.”.3 De polygraaf wordt doorgaans ondersteund door twee verschillende ondervragingsmethoden: controlevragen en schuldige kennisvragen. Bij de eerste methode interviewt men de verdachte en vergelijkt men zijn antwoorden met een aantal controlevragen. Men zal met behulp van de polygraaf de fysiologische activiteiten gedurende het interview meten waarna men conclusies trekt op basis van een vergelijkende analyse tussen relevante vragen en controlevragen. De schuldige kennistechniek impliceert dat men de verdachte een aantal visuele testitems aanbiedt in de vorm van vragen. Enkele van deze vragen zullen alleen beantwoord kunnen worden indien de verdachte kennis heeft van het misdrijf.4

In beginsel wordt de deelname van slachtoffers aan polygraaftesten uitgesloten, zeker wanneer het slachtoffer hier niet aan wenst te participeren. Doch na grondige analyse van het dossier en na voorafgaand onderzoek door een deskundige, kan een slachtoffer wél worden toegelaten.5

Polygrafie mag in het recht – en in het bijzonder in strafzaken – niet zomaar worden gebruikt. De wetgever koppelt hieraan twee principes: proportionaliteit en subsidiariteit.

Ten eerste, dient er sprake te zijn van proportionaliteit. Dit wil zeggen dat de polygraaf enkel aangewend kan worden voor de opheldering van misdaden en wanbedrijven wanneer de procureur en de onderzoeksrechter reeds over gegevens beschikken die redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene misdrijven heeft gepleegd. Ook wordt het gebruik van een polygraaf voorzien in situaties waar men reeds vermoedt dat een persoon over relevante informatie beschikt in verband met een bestaand dossier.

Het tweede principe betreft de subsidiariteit. Men meent dat de polygraaf slechts mag worden gebruikt indien de redelijke en adequate aanwending van andere onderzoeksmiddelen, onvoldoende gegevens kan verschaffen om een misdaad of wanbedrijf vast te stellen.6 Vermeldingswaard is dat de wetgever nergens spreekt over overtredingen en dus is het afwachten wat de rechtspraak en rechtsleer hierover zullen oordelen. In mensentaal: de polygraaf mag slechts worden aangewend wanneer de andere onderzoeksmiddelen niet blijken te volstaan om de waarheid te achterhalen. De te ondervragen persoon moet bovendien in goede lichamelijke en geestelijke conditie verkeren en fysiologisch matuur genoeg zijn om te kunnen deelnemen aan een polygrafische test.

Omgekeerd zijn volgende personen niet geschikt om zich aan een test te onderwerpen: zwangere vrouwen, minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaar, personen die binnen achtenveertig uur voor een onderzoeksrechter moeten verschijnen.7 Hieruit kan men afleiden dat een polygrafische test zowel in een opsporingsonderzoek, als in een gerechtelijk onderzoek kan worden gehanteerd.

Hof van Cassatie – aanvaarding doch met weinig specificaties

Het Hof van Cassatie sprak enkele jaren geleden een arrest uit waarin geen fundamentele bezwaren werden geformuleerd tegen de aanwending van de polygraaf.8 Volgens het Hof maakt het dus een legitiem onderzoeksmiddel uit in strafzaken. In haar arrest van 15 februari 2006 besloot het Hof evenwel dat de resultaten geen bijzondere bewijswaarde bevatten en dat de bewijswaarde evenzeer vrij beoordeeld moet worden door de strafrechter.9 Deze redenering stond weliswaar reeds in de omzendbrief die bijgevolg door het Hof werd aanvaard. Het betreft aldus een bijzondere verhoortechniek.10

Het Hof oordeelde verder dat de afname van een polygraaftest noch het zwijgrecht noch het vermoeden van onschuld van de betrokkene schendt. Weliswaar onder voorwaarde dat de beklaagde voldoende uitleg krijgt van de speurders en zich zonder de minste dwang, druk of beloftes – vrijwillig aan de test onderwerpt. Ook moet de beklaagde op elk ogenblik over de mogelijkheid beschikken om zijn medewerking te staken.11 Op die manier worden ook de artikelen 6.1 en 6.3.c) E.V.R.M. nageleefd.12 Met andere woorden, voor de ‘aanwendbaarheid’ van een dergelijk bewijsmiddel is het vereist dat de verdachte vrijwillig en weloverwogen meewerkt de polygraaftest en eveneens kan beslissen om de test op elk ogenblik stop te zetten. Volgens Cassatie zou het zwijgrecht op die manier niet geschonden worden (zie supra). Bijgevolg is het juridisch gezien geen evidentie om een correct toegepaste polygraaf aan te vechten.

In afwezigheid van Straatburgse rechtspraak lijkt het opportuun dat het Hof haar standpunt verder specifieert en verfijnt, teneinde de grondbeginselen die het strafprocesrecht beheersen op uitputtende wijze te vrijwaren.

De onderzoeksgerechten – wettelijke basis voor aanvaardbaarheid en betrouwbaarheid

In een arrest van 11 juni 2003 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling wordt bepaald dat de polygraaf een onrechtmatige inmenging uitmaakt op het recht op privéleven, zoals gewaarborgd door artikel 8 E.V.R.M. Het arrest is gebaseerd op het feit dat een polygraaf niet algemeen erkend wordt door de positieve wetenschappen. Het was dan ook problematisch dat er noch een wet noch een reglement het gebruik ervan regelde. Die zogenaamde inmenging veruitwendigt zich als volgt: de polygraaf stelt namelijk tekenen vast die normaal met het blote oog niet waar te nemen zijn en waarmee gepoogd wordt de oprechtheid van de ondervraagde persoon na te gaan. Derhalve doet zij het privéleven in beeld komen, temeer daar dit begrip door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens thans zeer ruim wordt ingevuld. Zo omvat het begrip “privéleven” volgens het E.H.R.M.: “de fysieke en morele integriteit, de fysieke en sociale identiteit van het individu (…).13 Aldus dient het gebruik van de polygraaf aan de vereisten van artikel 8.2. E.V.R.M. te voldoen.

Voorts oordeelde de Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling dat de loyauteit van de bewijsvergaring in het gedrang komt door de vele controverses die het gebruik van de polygraaf omgeven. Ook de Bergense Kamer van Inbeschuldigingstelling was dezelfde mening aangedaan. Er werd met name geoordeeld dat de gegevens van een polygraaftest enkel kunnen dienen als middel om klaarheid te scheppen in een dossier en niet als doorslaggevend bewijsmiddel waardoor verder onderzoek overbodig wordt.14 Een middel dat gericht is tegen het gebruik van een polygraaf in de loop van een gerechtelijk onderzoek, dient overeenkomstig artikel 312bis Sv. (thans opgeheven) bij conclusie te worden aangevoerd voor de in artikel 313 Sv. bedoelde voorlezing. (Artikel 313 SV: “In de loop van het getuigenverhoor of daarna doet de voorzitter, ambtshalve of op verzoek van één van de partijen, aan de beschuldigde of aan de getuigen één of meerdere stukken met betrekking tot het misdrijf voorleggen. De voorzitter doet alle voor de waarheidsvinding nuttige stukken van het dossier voorleggen”).15

Ook de lagere rechtspraak is in dezelfde zin gevestigd. Zo oordeelde de strafrechter van de Correctionele Rechtbank te Doornik dat de resultaten van de polygraaftest an sich geen afdoende bewijs kunnen leveren.16

Voor- en nadelen gekoppeld aan het gebruik van de polygraaf

In wat volgt zullen de voor- en nadelen worden opgesomd die onvermijdelijk gepaard gaan met het gebruik van de polygraaf.

Voordelen:

  • kostenbesparend;
  • audiovisuele opname van het gehele gebeuren, waarvan een proces-verbaal wordt opgesteld;
  • in acht nemen van de subsidiariteit en de proportionaliteit.

Nadelen:

  • geen algemeen toepassingsgebied, met aldus een mogelijke schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel;
  • in bepaalde dossiers of aanvragen kunnen er lange wachttijden zijn ten gevolge van de onderbezetting van de dienst;
  • Geen wetenschappelijk sluitend bewijs: stress, zweet etc., kunnen het testresultaat (negatief) beïnvloeden.

Besluit: gevaarlijk of bevorderlijk voor de waarheidsvinding?

Er bestaat geen eensgezindheid omtrent de betrouwbaarheid van de polygraaftest, Wat wel zeker is, is dat de polygraaf nooit 100% betrouwbaarheid kan garanderen. Bij de aanwending van de controlevraag-techniek (zie hierover supra) – zoals voorgesteld in het wetsvoorstel17 – is men tot de bevinding gekomen dat een gevaar op valse positieven (i.e. onschuldigen die de test niet met goed gevolg doorstaan) reëel is, aldus de Nederlandse rechercheadviescommissie uit 1993.18

Concluderend is het meer dan duidelijk dat de rechtspraak een wettelijke basis eist die de regeling omtrent de polygraaf verduidelijkt en juridisch bindend maakt. Thans bestaat die wettelijke grondslag, zijnde de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering dewelke sedert 1 januari 2021 in werking is getreden. Een omzendbrief was dus slechts een begin, maar zeker niet het einde, vermits deze niet bindend was. Ongeacht het voorgaande zou het raadzaam zijn om te besluiten dat de resultaten van een polygraaftest noch het eindpunt, noch het doel van het onderzoek zouden mogen zijn. Enkel als extra hulpmiddel bij het onderzoek zou het enige waarde bevatten. Voor het overige moet de polygrafietest worden aangevuld met andere bewijsmiddelen. Met andere woorden, het resultaat van het onderzoek moet telkens opnieuw aangevuld worden met de overige elementen uit het strafdossier. Mocht uit onderzoek ooit blijken dat de polygraaftest niet betrouwbaar is, dan dient het gebruik ervan door de wetgever en de rechtspraak radicaal te worden afgewezen. De vrije bewijswaardering in strafzaken kan dan ook voor een rechter op geen enkel manier een excuus zijn om aan de beklaagde of de burgerlijke partij, bewijsmiddelen voor te stellen die niet beantwoorden aan de minimale eisen van technische betrouwbaarheid. Het zou anders alle grondbeginselen van het strafprocesrecht ondermijnen, met alle gevolgen van dien.

 

1 P. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys & Breesch, 1992, 299-305.
2 Omz. 6 mei 2003 van het college van procureurs-generaal.
3 Zie www.police.be/5998/NL/over-ons/centrale-directies/centrale-directie-van-technische-en-wetenschappelijke-politie.
4 Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat het gebruik van de polygraaf betreft, Parl.St. Kamer, 2019-20, nr. 0577/001, 8
5 Ibid.
6 Ibid.
7 Artikel 3, §3 Wet tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat het gebruik van de polygraaf betreft, BS 21 februari 2020, 10239.
8 J.T. 2003, 464 en Vigiles 2004, 64, met noot P. TRAEST; F. GOOSSENS, Het gebruik van de polygraaf, het E.V.R.M. en het vereiste van een wettelijke basis (noot onder Cass. 15 februari 2006), R.W. 2006-07, nr. 25, 1044.
9 Cass. 15 februari 2006, Rev. Dr. Pén. Crim. 2006, 682, R.W. 2006-07, 1039, noot F. GOOSSENS EN P. TRAEST.
10 F. GOOSSENS, Het gebruik van de polygraaf, het E.V.R.M. en het vereiste van een wettelijke basis (noot onder Cass. 15 februari 2006), R.W. 2006-07, nr. 25, 7.
11 F. GOOSSENS, Het gebruik van de polygraaf, het E.V.R.M. en het vereiste van een wettelijke basis (noot onder Cass. 15 februari 2006), R.W. 2006-07, nr. 25, 7; B. DE SMET, Recht op bijstand van een advocaat tijdens een navolgend verhoor van een aangehouden verdachte (noot onder Cass. 9 april 2013, P.12.2018.N), R.W. 2013-14, nr. 33, 1308; Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat het gebruik van de polygraaf betreft, Parl.St. Kamer, 2019-20, nr. 0577/001, 3.
12 Cass. 9 april 2013, P.12.2018.N.
13 N. VAN LEUVEN, << Privacy: een onrustig begrip in volle ontplooiing >>, in P. LEMMENS (red.), Uitdagingen door en voor het E.V.R.M., Mechelen, Kluwer, 2005, 10.
14 K.I. Bergen 13 mei 2001, J.T. 2004, 480, met noot D. BOSQUEST en C. POIRE; Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat het gebruik van de polygraaf betreft, Parl.St. Kamer, 2019-20, nr. 0577/001, 4.
15 Cass. 11 september 2007, P.07.0572.N.
16 J.L.M.B. 2002, 694-95, met noot P. MONVILLE; cf. K.I. Bergen 13 juni 2000, Rev. Dr. Pén. 2000, 1079-1081, met noot C. MICHAUX, J. RAYNAL en J. LACROIX.
17 Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat het gebruik van de polygraaf betreft, Parl.St. Kamer, 2019-20, nr. 0577/001, 7.
18 F. GOOSSENS, Het gebruik van de polygraaf, het E.V.R.M. en het vereiste van een wettelijke basis (noot onder Cass. 15 februari 2006), R.W. 2006-07, nr. 25, 1047-48.